Witte Donderdag
Het licht van de morgen
wit, vredig, vol van belofte, 
het verleden is nog toekomst
Een groen waas bedekt de zwarte aarde,
dauwdruppels fonkelen aan de halmen van gras.
De aarde dampt als een versgebakken brood.
De merel zingt zijn lied, de vink slaat zijn slag
de hemel is vol melodie, de lucht is in vervoering
Heel de schepping koketteert met je
als je op je ezel de stad binnenrijdt.
En ook wij zwaaien uit alle macht
en reiken jou onze kinderen aan
om ze door jou te laten zegenen.
Jij bent het toch?
Die toekomst van ons,
de deur, open naar geluk?
En je neemt brood,
zo doodgewoon brood
de honderdvoudige vrucht
van de graankorrel, gestorven,
Je biedt het ons aan
en verbindt het met jouw bestaan.
Nooit meer smaakt het brood als tevoren
En je neemt wijn,
zo doodgewoon wijn,
verzameld, geperst en getreden.
Je reikt het ons aan,
en brengt jouw bestaan
uit het verleden
in het heden.
Geen glas wijn zal vanaf nu nog hetzelfde zijn.
Als ik stilsta in de tijd
proef ik in brood en wijn jouw aanwezigheid.
Maar…
hoor ik daar het kraaien van de haan?
Guy Dilweg, Witte donderdag 2011.
>> Meer
teksten
Stoutenburg,
21 april 2011.
|