|
|
Vierde
Stoutenburglezing
Sociaal
leren voor duurzaamheid in de risicomaatschappij
door Prof.
dr. Danny Wildemeersch
K.U. Leuven - K.U. Nijmegen
Stoutenburg - 16 oktober 2001
Ik ontwikkel in deze lezing twee hoofdgedachten. In de eerste plaats analyseer
ik de verstoorde relatie tussen individu en gemeenschap en schets het perspectief
van de civiele maatschappij als belangrijke verbindingsschakel tussen processen
van individualisering en globalisering. In het tweede deel van deze lezing maak
ik deze rol concreet. Daarbij schuif ik de noties 'sociaal leren' en 'verantwoording'
naar voor als elementen die ik centraal stel in mijn onderzoeks- en onderwijspraktijk.
In mijn recente onderzoekingen staat het begrip 'risicomaatschappij' centraal.
Het is een concept waarmee geprobeerd wordt de hedendaagse maatschappelijke
veranderingen in de laat- of postmoderne maatschappij te beschrijven en te duiden.
Er is sprake van de 'risico-maatschappij' omdat we op verschillende levensdomeinen
geconfronteerd worden met globale bestaansonzekerheid. Zowel in de culturele,
economische als ecologische sfeer krijgen we te maken met een moeilijke voorspelbaarheid
van de levenscondities, dit in weerwil van het feit dat we deze condities voortdurend
proberen onder controle te houden. Deze onzekerheid is o.m. het gevolg van processen
van 'reflexieve modernisering' . Dit houdt in dat de kennis over de condities
van het sociale leven, permanent gebruikt wordt om ditzelfde sociale leven te
organiseren, te plannen en vorm te geven .
Eén van de karakteristieken van deze risicomaatschappij is de individualisering.
Individualisering is een vrij complex fenomeen. Het gaat om een sociaal-historisch
proces waarin tegenstrijdige ontwikkelingen samenvloeien. Zo is er het fenomeen
dat het individu wordt vrijgemaakt uit traditionele klasse- en familiebindingen
en uit traditionele geslachts- en leeftijdsspecifieke rollen. Door die vrijmaking
wordt het individu in zekere zin de acteur van zijn eigen levensloop, construeert
het op zelfreflexieve wijze zijn eigen biografie. Deze subjectivering voltrekt
zich op verschillende levensdomeinen. Op het domein van de arbeidsmarkt wordt
de verantwoordelijkheid om zichzelf te handhaven en verder te ontwikkelen meer
en meer een individuele opdracht, in veel gevallen in scherpe concurrentie met
andere individuen. Op het sociaal-culturele vlak wordt het individu veel vaker
geconfronteerd met wisselende levensomstandigheden, waardoor de contacten tijdelijk,
voorlopig en functioneel zijn t.a.v. de uitbouw van het eigen levensproject.
Terzelfdertijd gaat de individualisering gepaard met met nieuwe, omvattende
vormen van afhankelijkheid als gevolg van ingrijpende globaliseringsprocessen.
Globalisering betekent dat abstracte systemen, zoals expert-systemen en financiële
systemen, in toenemende mate het wereldtoneel beïnvloeden. Dergelijke systemen
kunnen niet worden aangesproken of afgewezen. Ze hebben geldigheid los van de
concrete mensen die er gebruik van maken en los van de concrete plaats waar
ze worden toegepast. Terzelfdertijd penetreren ze op indringende wijze alle
aspecten van het moderne leven tot op het concrete niveau van de sociale relaties
en de intimiteit van het zelf.
Deze ontwikkeling stelt de gemeenschap voor nieuwe uitdagingen waar voorlopig
nog geen antwoord op gevonden is, mede als gevolg van de individualiseringsprocessen,
maar ook als gevolg van het verlies aan sturingscapaciteit van de staat. De
globaliseringstendenzen hollen de macht van de staat uit. Steeds meer moeten
de stuurders toegeven dat ze niet kunnen ontsnappen aan de ijzeren wetmatigheden
van de markt en de technologie. Er lijkt een vacuüm te ontstaan tussen
het individuele subject en de macht van de abstracte systemen. Dit vacuüm
versterkt de onzekerheid en bevordert de kans dat het vertrouwen in de democratische
besluitvorming teloorgaat. De uitdaging bestaat erin om dit vacuüm op democratische
wijze een nieuwe inhoud en vorm te geven, zodat verantwoord handelen zich niet
beperkt tot het verantwoord vormgeven aan het eigen levensproject, maar zich
ook uitstrekt tot op het niveau waar de globale, zelf-referentiële mechanismen
en systemen om verantwoording worden gevraagd.
De kritiek op de individualisering geeft uiteraard ook aanleiding tot allerlei
voorstellen die de burger weer moreel aanspreekbaar moeten maken, zoals het
herstel van de zorgzame samenleving of van het maatschappelijk middenveld. Meer
recent is ook het begrip 'civil society' of 'civiele maatschappij' in de belangstelling
gekomen. Exemplarisch voor deze bekommernis is een recent discussiestuk van
de bekende Amerikaanse socioloog Etzioni met de sprekende titel: 'Wij zijn de
stem van de moraal kwijtgeraakt". De auteur argumenteert hierin dat de
maatschappelijke orde wordt bedreigd omdat gezinnen, scholen en ruimere samenlevingsverbanden
niet langer ingewijd worden in de morele plichten die naast de rechten van het
individu de samenleving in evenwicht houden. Daarom moet er op, deze drie niveaus,
gestreefd worden naar het herstel van het moreel gezag. Dit hoeft niet gepaard
te gaan met een verlies aan individuele vrijheid of met een terugkeer naar traditionele
of autoritaire maatschappijvormen.
Uiteraard leiden dergelijke oproepen niet altijd tot even enthousiaste reacties,
onder meer omdat ze het individu culpabiliseren, terwijl ze de globaliserende
sturingsmechanismen onbesproken laten. Dit betekent niet dat individuele verantwoordelijkheid
onbelangrijk zou zijn. Maar, het betekent wèl dat de terechte oproep
tot individuele zorgzaamheid moet worden gecombineerd met initiatieven die de
ongecontroleerde zelf-referentiële mechanismen ter verantwoording roepen.
Dit veronderstelt een benadering waarbij de democratie, zowel inhoudelijk als
qua vorm, nieuwe impulsen krijgt, wat noodgedwongen met moeite en strijd zal
gepaard gaan. Verschillende auteurs pleiten dan ook voor het ontwikkelen en
bevorderen van fora die levenspolitieke kwesties ter discussie stellen, zowel
in morele, politieke, intellectuele, en spirituele zin en die verbindingen maken
met concrete handelingsniveaus, waar mensen proberen hun eigen levenskansen
te handhaven en te ontplooien én terzelfdertijd de technologische globaliseringstendenzen
bevragen in het perspectief van een zinvolle ontwikkeling van mens én
cosmos. Op die manier wordt een aanzet te geven tot het zoeken naar concrete
vormen en concepten die individuele en publieke verantwoording, particuliere
en het politieke kwesties met elkaar verbinden, niet alleen op het abstracte
niveau van de sociale theorie, maar eveneens op het concreet niveau van het
alledaags probleemoplossend handelen. Wellicht drukt de term civiele maatschappij
beter uit waar het hier om te doen is dan de term gemeenschap. Het woord gemeenschap
suggereert dat er sprake kan zijn van één omvattend algemeen perspectief
en belang waarmee alle leden van die gemeenschap zich identificeren. De term
civiele maatschappij daarentegen verwijst veel meer naar het maatschappelijk
debat dat uitdrukking geeft aan de verscheidenheid aan standpunten en belangen
en aan de noodzaak om op grond van dit debat uitwegen en oplossingen te zoeken.
Het zoeken naar oplossingen voor de uitdagingen waarmee we in de risicomaatschappij
worden geconfronteerd, zoals o.m. de duurzaamheidsvraagstukken, kunnen we ook
begrijpen als collectieve of sociale leerprocessen. In wat nu volgt, verken
ik in eerste instantie de vier basisprincipes van het sociaal leren. In tweede
instante verbind ik het concept van het sociaal leren met de risicomaatschappij.
Tenslotte wijs ik op de noodzaak om het sociaal leren ook te verbinden met het
verantwoordingsprincipe. Deze combinatie van sociaal leren en verantwoording
reikt een perspectief aan voor de actualisering van het sociaal-agogisch project
in de context van de civiele maatschappij.
Sociaal leren is het leren functioneren van groepen of sociale verbanden, in
nieuwe, onverwachte, onzekere en moeilijk te voorspellen omstandigheden. Het
is gericht op het oplossen van onvoorziene contextproblemen en wordt gekenmerkt
door een optimaal gebruik van het probleemoplossingspotentieel dat in die groep
of in dat sociaal verband aanwezig is. Om die reden is het sociaal leren een
competentiebenadering en geen deficiëntiebenadering. Het sociaal leren
is kritisch reflexief, m.a.w. is gebaseerd op het in vraag stellen van achtergronden
en uitgangspunten van de vertrouwde probleemdefinities; het is interactief en
communicatief, wat betekent dat maximaal gebruik wordt gemaakt van de dialoog
tussen betrokkenen; het is handelings- en ervaringsgericht, of het is gefundeerd
in het principe van reflectie-in-actie; en tenslotte is het interdisciplinair,
omdat de oplossing van relatief complexe problemen de samenwerking van een diversiteit
aan deskundigen veronderstelt.
Sociaal leren heeft dus in eerste instantie te maken met pogingen om problemen
op te lossen die zich in de sociale context voordoen. Eerder heb ik aangegeven
hoe bij het oplossen van problemen het regelmaatdenken steeds meer de plaats
ruimt voor muterend denken, of hoe het leren omgaan met mutaties in de plaats
treedt van mechanistische leerprocessen. Processen van regelmaatleren zijn rechtlijnige
processen die zich vooral voordoen in stabiele contexten, met voorspelbare uitkomsten.
Maar, dergelijke contexten bereiden mensen niet goed voor op onverwachte situaties,
of op het functioneren in turbulente omgevingen. Leren in situaties van 'onzekerheid,
complexiteit, instabiliteit, uniciteit en waardenconflict', veronderstelt de
capaciteit om de uitgangspunten en achtergronden van de projecten waarmee men
bezig is in vraag te stellen en bij te sturen. Deze vorm van kritische reflectie,
wordt double loop learning genoemd. Ze is het eerste kenmerk van sociaal leren.
Een tweede kenmerk van sociaal leren is dat het zich meestal afspeelt in de
relatief kleine verbanden van taakgroepen, projectgroepen, face-to-face groepen
etc. Theorievorming op dat vlak maakt duidelijk dat processen van kritische
reflectie, in belangrijke mate bevorderd of belemmerd worden door de communicatieve
condities die heersen in deze groepen. In veel gevallen proberen de bij de communicatie
betrokken actoren om de situatie, de taak, zichzelf én de anderen eenzijdig
te controleren en te beschermen. Uiteindelijk leidt dit tot defensieve groepsprocessen,
tot zelfverhullende praktijken en tot beperkte effectiviteit. Wil men echter
tot adequaat sociaal leren komen, m.a.w. wil men het potentieel van de lerende
groep maximaal gebruiken, dan moeten deze communicatiebelemmerende mechanismen
worden weggenomen. Daarom moet geleerd worden de unilaterale sturing van de
taak, de omgeving en van de actoren te vervangen door multilaterale sturing.
Daarbij maken de competetitieve normen plaats voor coöperatieve normen;
het interactieklimaat is gericht op samenwerking. Processen van sociaal leren
veronderstellen dus dat mensen ook reflexief bezig zijn met hun eigen impliciete
interactie-, communicatie- en actietheorieën.
Een derde karakteristiek van het 'sociaal leren' is zijn actie- en ervaringsgerichtheid.
In het concept van het sociaal leren wordt het individu niet zozeer beschouwd
als passieve ontvanger van invloeden uit de omgeving of als 'leeg vat', maar
eerder als zoekend, tastend, betekenisverlenend en actief ingrijpend op de omgeving.
Door dit actief ingrijpen komt een proces tot stand van productieve werkelijkheidsverwerking,
waarbij de persoon zich 'werkelijkheid toeëigent' of de werkelijkheid construeert.
Deze constructivistische opvatting van leren staat in contrast met leerconcepten
die verbonden zijn met traditionele institutionele educatieve praktijken. De
groeiende aandacht voor sociale leerprocessen in diverse contexten maakt dat
alternatieve concepten van leren, zoals informeel en incidenteel leren steeds
ernstiger worden genomen. Heel wat van die concepten worden samengebracht onder
de noemer van ervaringsleren. De theorieën van het ervaringsleren vormen
een adequate basis om de processen van 'sociaal leren' inzichtelijk te maken.
Ze vormen een goed uitgangspunt voor het analyseren en interpreteren van de
vele varianten van het ervaringsleren die momenteel in circulatie worden gebracht
zoals, action learning en probleemgestuurd leren.
Het laatste kenmerk van sociaal leren is de interdisciplinariteit. Aangezien
het om leren gaat dat tot stand komt in nieuwe, onzekere, moeilijk voorspelbare
situaties, is het ook niet altijd meteen duidelijk welke deskundigheid het meest
voor de hand ligt om bepaalde problemen op te lossen. Daarom is het van belang
dat de probleemstelling en de probleemoplossing continu vanuit verschillende
invalshoeken worden beschouwd. De interdisciplinariteit van het sociaal leren
is daarenboven niet enkel het resultaat van de samenwerking van experten. De
achterliggende visie bij het sociaal leren is dat ook niet experten een belangrijke
bijdrage kunnen leveren tot het probleemoplossingsproces. In situaties waarbij
grote onzekerheid bestaat omtrent de uitkomsten, en die tegelijk van groot belang
zijn voor ons voortbestaan, is wetenschap een zaak is van iedereen. Bijgevolg
moeten zoveel mogelijk mensen betrokken worden bij het proces van probleemoplossing.
Het hier geschetste beeld van sociaal leren kan wellicht wat naïef in
de oren klinken, vooral bij diegenen die de efficiëntie en effectiviteit
van experts verkiezen boven de omslachtige procedures van inspraak- en participatiebevordering,
informatieverstrekking, terugkoppeling, etc.. Toch zijn er twee belangrijke
redenen om dit concept van sociaal leren niet al te snel opzij te schuiven.
De eerste reden was al bij herhaling aan de orde. Onzekere, onvoorspelbare contexten
maken van sociale leerprocessen bijzonder belangrijke hulpbronnen van besluitvorming
en beleidsvoering op allerlei niveaus. De risicomaatschappij waarin we leven
wordt gekenmerkt door een grote mate aan onvoorspelbaarheid en onzekerheid.
Daarom is de competentie om te participeren aan processen van sociaal leren
in de risicomaatschappij nuttig en noodzakelijk. Ze voorkomt nieuwe vormen van
sociale uitsluiting. Een tweede reden leid ik af uit de onderzoeksresultaten
van enkele onlangs afgesloten studie- en onderzoeksprojecten. Daar stelden we
vast dat de subjectieve ervaring van risico op diverse maatschappelijke terreinen
momenteel wel erg groot is. Mensen zijn zich goed bewust van de omvang van diverse
maatschappelijke problemen. Terzelfdertijd stelden we vast dat de onmacht om
er iets aan te doen bijna even groot is. Mensen zien niet in hoe ze aan die
problemen iets kunnen doen. De participatiecompetentie ontbreekt. Dit leidde
tot de conclusie dat aan mensen een nieuw gevoel van actorschap en van verantwoordelijkheid
moest worden gegeven. Participatiecompetentie kan motiveren. Het concept van
sociaal leren opent op dat vlak interessante perspectieven.
Het is dus relevant om het concept sociaal leren te koppelen aan processen
van organisatie en ontwikkeling van samenlevingsverbanden. In dat verband zou
men kunnen spreken van 'learning communities' of 'communities of practice' (werkgemeenschappen).
Zo suggereren Jansen en van der Veen dat de volwasseneneducatie een rol kan
spelen in het stimuleren van allerlei groepen in de samenleving die met de oplossing
van sociale problemen bezig zijn. Ze geven daarbij concrete voorbeelden van
milieuproblemen, huisvestingsproblemen voor bejaarden, problemen die met werkloosheid
samenhangen, etc.. Ook kan deze 'community education' volgens hen een ondersteunende
rol spelen bij het ontwikkelen van interorganisationele netwerken, bij het trainen
van actieve leden, en bij het ondersteunen van conflicthantering. In hun ogen
komt het ondersteunen van deze groepen neer op een combinatie van ervaringsleren
en methodische activering. Deze visie sluit heel nauw aan bij de inzichten die
samenhangen met het concept van sociaal leren.
De principes van het sociaal leren van de 'learning community' vertonen veel
gelijkenis met de nieuwere principes van leren in organisaties. De literatuur
over organisatie-ontwikkeling spreekt steeds uitdrukkelijker over 'de lerende
organisatie' en beroept zich daarbij op gelijkaardige principes als deze van
het sociaal leren. We vinden deze principes bijvoorbeeld terug in wat van der
Krogt de 'probleemgeoriënteerde leersystemen in adhocratieën' noemt.
Adhocratieën zijn innovatieve organisaties waar mensen met diverse achtergronden
en kundigheden met elkaar samenwerken in projectgroepen aan ingewikkelde, nieuwe
opdrachten. In deze projectgroepen is afstemming en communicatie van groot belang,
vooral in verband met de gemeenschappelijke studie van de problemen en de bundeling
van ieders inbreng. Adhocratische organisaties worden vooral door de basis in
de organisatie gedragen. Ze zijn weinig hiërarchisch van opbouw. Het gaat
om een personeelsbestand dat beschikt over de kennis, kunde en cultuur om complexe
problemen op een creatieve wijze aan te pakken. Daarenboven zijn dergelijke
organisaties erin geslaagd om mensen zodanig tot een geheel samen te smeden
dat ze in groepen van wisselende samenstelling complexe opdrachten uitvoeren.
In dergelijke innovatieve organisaties is werken nauw vervlochten met leren.
Innovaties zijn het resultaat van sociale leerprocessen, vooral van 'double
loop leren'. Aangezien het op peil houden en uitbreiden van deskundigheid in
deze organisaties van levensbelang is, is het permanent leren van strategisch
belang.
Het principe van sociaal leren is aan de orde, zowel in de context van de organisatie-ontwikkeling
als van de gemeenschapsontwikkeling (community organization en community education).
Ongeacht de verschillen in context en doelstellingen stellen we vast dat zelf-reflexiviteit,
actiegerichtheid, interactiviteit en interdisciplinariteit in beide gevallen
richtinggevend zijn. Om die reden ook vormt het principe van het sociaal leren
een belangrijk fundament van het sociaal-agogisch handelen, voor zover dit handelen
als innovatief handelen wordt begrepen en wordt verbonden met situaties van
onzekerheid, onvoorspelbaarheid, waardenconflict, complexiteit, uniciteit, instabiliteit.
Sociaal-agogisch handelen is in veel gevallen het samen zoeken met mensen naar
oplossingen voor nieuwsoortige problemen, waarbij nog geen routinematige antwoorden
voorhanden zijn, en waarbij maximaal gebruik moet worden gemaakt van het creatieve
potentieel van groepen, netwerken en samenlevingsverbanden. Echter, het sociaal
agogisch perspectief omvat méér dan de filosofie en de technologie
van het het sociaal leren. Het verwijst ook naar een principe, dat in de concepten
van sociaal leren onderbelicht blijft, met name het verantwoordingsprincipe.
Eerst wil ik laten zien waarom de theorie van het sociaal leren dit verantwoordingsprincipe
niet articuleert. Vervolgens wil ik uitwerken hoe dit wel kan, en hoe, sociaal-agogisch
handelen dynamisch balanceert tussen de instrumentele principes en de verantwoordingsprincipes
van het sociaal leren.
Sociaal leren is in veel gevallen een zelf-referentiële praktijk in de
beste traditie van het pragmatisme. Dit betekent dat de resultaten van het sociaal
leren slechts kunnen beoordeeld worden aan de hand van normen eigen aan het
leerproces zelf. De verantwoording voor de gemaakte keuzes en interpretaties
is niet gebonden aan externe normen. Binnen deze traditie staat impliciet het
handelen van de natuurwetenschapper en van de technicus, en niet dat van de
ethicus, model. Natuurwetenschappers en technici onderzoeken enkel hoe afzonderlijke
data kunnen ingepast worden in theorieën die de 'werkingssamenhang van
de werkelijkheid' aan het licht brengen. Ook dit werkt de zelf-referentialiteit
in de hand. De ervaringen van mensen binnen de organisatie kunnen niet bevraagd
worden op grond van criteria die de instrumentele rationaliteit van de organisatie
overstijgen of aanvullen. Is er een uitweg uit deze eenzijdigheid ? Ik breng
hier exemplarisch twee auteurs ter sprake die op dit punt een aantal interessante
perspectieven aanreiken.
Jansen introduceert vier principes van levenspolitieke vorming die de zelfreferentialiteit
van het ervaringsleren moeten helpen overstijgen. Het princpe van 'reflexieve
verantwoordelijkheid'. plaatst het ervaringsleren in het perspectief van 'medeverantwoordelijkheid
voor het bestaan van anderen'. Het principe van solidariteit verwijst naar de
noodzaak om de spanning tussen sociale gelijkheid en persoonlijke vrijheid in
balans te brengen. Bij het principe van de leefbaarheid staat de vraag centraal,
onder welke voorwaarden de bestaansonzekerheid van mensen zo goed mogelijk voorzien
en onder controle gebracht kan worden. Het principe collectiviteit confronteert
het individu met het algemeen maatschappelijk belang en de daarmee verband houdende
noties van collectief handelen.
Op een wat concreter niveau situeert zich het concept van ervaringsleren van
Geissler. Deze auteur neemt de klassieke cyclus van het ervaringsleren tot uitgangspunt.
In deze cyclus wordt het verloop van het leerproces omschreven als een beweging
die vertrekt van conctrete ervaringen, en zich verder ontwikkelt over reflectie
en abstractie naar actie, om tenslotte aan te belanden bij een nieuwe ervaring.
Deze conceptualisering van het ervaringsleren schiet volgens de auteur tekort.
Enkel de 'werkingsdimensie' van het leren en niet de zingevingsdimensie wordt
gearticuleerd. Als alternatief werkt hij een cyclus van ervaringsleren uit waarbij
ieder doelrationeel moment, wordt aangevuld met een zingevingsmoment . Zo slaagt
hij erin, op conceptueel niveau, de eerder genoemde zelfreferentialiteit van
het ervaringsleren te overstijgen en aan te vullen met criteria uit de sfeer
van de communicatieve rationaliteit.
In eerdere publicaties heb ik de communicatieve dimensie omschreven als de verantwoordingsdimensie.
Toen heb ik vorming, een beetje chargerend, gelijkgesteld met verantwoording.
Daarmee wilde ik wilde vooral de ethische dimensie van het sociaal-agogisch
handelen onder de aandacht brengen, als reactie tegen het feit dat de identiteitsontwikkeling
van mensen steeds exlusiever in instrumenteel-technische of kwalificeringstermen
wordt begrepen. In het verlengde hiervan pleit ik ook vandaag voor het verbinden
van het principe van het sociaal leren met het principe van verantwoording.
In het sociaal-agogisch vakgebied gaat het om de ontwikkeling van mensen langs
twee sporen: het kwalificeringsspoor en het verantwoordingsspoor. Mensen kwalificeren
is mensen in staat stellen om op diverse levensdomeinen te participeren en hun
participatiecompetentie maximaal te ontplooien. Binnen het eigen vakgebied hebben
sommigen het moeilijk met dit kwalificeringsspoor. Het is de verdienste geweest
van mijn voorganger, Ben van Onna, om met die traditie te breken, wanneer hij
arbeidsleren tot voorwerp maakte van zijn sociaal-agogische reflectie. In zijn
spoor wil ik de kwestie van 'kwalificering via arbeid' en van 'kwalificering
in organisaties' ruimschoots aandacht geven. In de wereld van de arbeid en organisaties
voltrekken zich momenteel indringende transformaties die de competenties verbonden
met het sociaal leren steeds noodzakelijker maken. Maar ook de kwalificering
van mensen in andere levensdomeinen, zoals de sfeer van cultuur en welzijn,
is een belangrijke opdracht. En ook daar bieden de concepten van sociaal leren
en van participtiecompetentie interessante perspectieven. Maar, zoals ik al
zei, gaat het in het sociaal-agogisch vakgebied niet enkel om het kwalificeren
van mensen, maar evenzeer om verantwoording. Het verantwoordingsprincipe plaatst
het sociaal-agogisch handelen in het teken van het maatschappelijk debat in
de civiele maatschappij. Het verbindt kwalificeringskwesties met levenspolitieke
kwesties, op het snijvlak van persoonlijke keuzes inzake zelf-ontplooiing en
globale keuzes inzake maatschappelijke ontwikkeling. Met mijn verhaal hier vandaag
heb ik aangegeven dat deze verantwoordingsdimensie, zowel in de maatschappij
als binnen het vakgebied onder druk staat. Ik beschouw het als een cruciale
uitdaging van mijn opdracht om deze verantwoordingsdimensie onder de aandacht
te brengen en te verbinden met de kwalificeringsdimensie. Ik besef dat dit niet
eenvoudig is. Toch, en juist daarom, vind ik het uitermate belangrijk om dwarsverbindingen
te blijven zoeken tussen kwalificering en verantwoording, tussen hoe-vragen
en waartoe-vragen. Hierin zit de originaliteit van onze bijdrage. Daar ben ik
van overtuigd.
Download deze lezing. (PDF)
|