|
Home >Publicaties >Koppen
Stoutenburglezing 2010 door Kris van KoppenFranciscus in de supermarkt
IntroductieHet is goed om hier bij u te zijn en ik ben dankbaar voor de uitnodiging om dit jaar de Stoutenburglezing te geven. Ik hoop dat het voor ons allen een inspirerende bijeenkomst zal zijn. Ik ben opgeleid en werkzaam als wetenschapper en onderzoeker - ik werk aan Wageningen Universiteit, bij de groep Milieubeleid, en was tot voor kort tevens bijzonder hoogleraar natuur- en milieueducatie (NME) in Utrecht. Ik houd me daarbij vooral bezig met de wisselwerking tussen maatschappij en natuur. Dan gaat het om vragen zoals: waarom is onze maatschappij zo bedreigend voor natuur? Waarom blijft de natuur mensen toch altijd weer aanspreken en fascineren? Hoe leren wij, als kind en volwassene over natuur? Hoe geven we gestalte aan een duurzamer samenleving? In deze lezing zal ik iets vertellen over inzichten die uit dit onderzoek naar voren komen. Dat is de ene kant. Maar het bijzondere van deze lezing, tenminste voor mij, is dat ik daarnaast iets probeer te zeggen over zingeving. Waarom beschermen we natuur? Wat is een duurzame samenleving? En waarom zouden we daarnaar streven? Dat zijn vragen die veel verder gaan dan wetenschap en die een belangrijke plek innemen in Stoutenburg en in het persoonlijke leven van ons allen hier. In dit verhaal zal ik op dergelijke vragen ingaan door een verbinding te leggen met de Fransciscaanse inspiratie. Dat is de andere kant van mijn verhaal. Ik probeer te kijken hoe die twee kanten bij elkaar passen, dat wetenschappelijke verhaal en dat zingevingsverhaal. Zijn het gescheiden of zelfs tegenstrijdige werelden, of passen ze bij elkaar en kunnen ze elkaar versterken? Als ik het heb over Franciscaanse inspiratie, dan put ik niet zozeer uit mijn wetenschappelijk onderzoek, maar meer uit mijn jeugd, uit mijn ervaringen thuis. Ik ben opgegroeid in een katholieke omgeving en voor mijn ouders had en heeft religie een diepe persoonlijke betekenis. In het bijzonder put ik uit het denken en leven van mijn oom, mijn heeroom, Alex van Leeuwen. Hij was een Franciscaans pater die filosofie heeft gestudeerd en een groot deel van zijn leven in India heeft gewerkt als ontwikkelingswerker en docent filosofie. Een bijzondere man, die in wie hij was en wat hij deed de Franciscaanse inspiratie belichaamde. Mijn zussen en ik hebben met hem vele gesprekken gevoerd over christendom en hindoeisme, over filosofie, natuur, ontwikkeling en dergelijke. Later hebben we daar zelfs, voor de familie, een boekje van gemaakt: 'Alex van Leeuwen - Het wonder van er zijn'. Daaruit zal ik in mijn verhaal af en toe citeren. Tien jaar geleden is hij overleden, maar in deze lezing zal Alex volop aanwezig zijn. Deze lezing is eigenlijk de eerste keer dat ik die twee kanten - wetenschappelijk werk en persoonlijke zingeving - in een verhaal probeer te koppelen. Dat viel niet mee. SupermarktHet wordt tijd om iets te zeggen over dat andere woord in de titel: supermarkt. In veel literatuur wordt de moderne maatschappij, zoals die in Nederland, vooral gezien vanuit de kant van productie: als een maatschappij van grootschalige, industriële productie. De industriële revolutie die begint in Engeland, in 18e eeuw, met stoommachines en grootschalige textielfabrieken, wordt dan ook gezien als de beslissende stap, 'take-off' van de moderne samenleving. Maar die revolutie in productie was natuurlijk ook een revolutie in consumptie; al die spullen die werden gemaakt moesten ook geconsumeerd worden. En dat zien we dus ook in die tijd. In de supermarkt is die welvaart heel goed zien, aan het enorme assortiment van producten uit alle hoeken van de wereld die daar voor ons klaar staan. Nu kun je je afvragen of we echt 12 soorten chips en 7 soorten kattenvoer nodig hebben, maar in principe is die overvloed aan voedsel, die overvloed aan andere producten, iets moois. Een verworvenheid. Deze welvaart heeft ons leven in vergelijking met dat van vóór de industriële revolutie langer gemaakt, gezonder en in vele opzichten ook beter. Een ander ding in de supermarkt: het kopen van die producten kost ons weinig tijd. De meeste mensen waren vroeger en - elders op de wereld nog steeds - dag in dag uit bezig zijn met zware arbeid om hun levensbehoeften bij elkaar te schrapen. Wij gaan wij op een zaterdagmiddag naar de super, vullen onze kar en hebben voor de hele week genoeg. OK, misschien hebben we hard gewerkt om bij de kassa te kunnen betalen, maar de moeite die wij moeten doen in onze levensbehoeften te voorzien is gering in vergelijking met het verleden. Als we dat zouden willen, kunnen we tijd vrijmaken voor allerlei andere zaken. Last but not least: in die supermarkt zijn wij als klant de koning. We beslissen zelf wat we kopen, niemand verplicht ons tot iets. We rekenen af bij de kassa op voet van gelijkheid en in zekere zin rekenen we daarmee ook af met de standenmaatschappij. Natuurlijk is het zo dat de een meer geld heeft dan de ander. Maar als we iets afrekenen is dat op voet van gelijkheid en naar eigen keuze. We kunnen kopen en we kunnen het niet kopen. Dat is een radicale verandering ten opzichte van de hierarchische maatschappij die we vroeger hadden en die in veel landen nog steeds de gewoonste zaak van wereld is. Liberté, egalité, supermarché? Dat is misschien toch iets te vroeg gejuicht. Niettemin. de consumptiemaatschappij is in meer dan één opzicht een maatschappelijke verworvenheid. We kunnen ervoor kiezen om je spullen in andere, kleinere winkels te kopen. Of een deel van je levensbehoeften zelf te produceren. Maar echt afstand doen van de consumptiemaatschappij? Zelfs onder degenen onder ons die kritisch staan tegenover de supermarkt zijn er maar weinig die daadwerkelijk afstand zouden willen doen van de consumptiemaatschappij. En verreweg de meesten van degenen die, wereldwijd, nog geen deel hebben in die welvaart, doen denk ik heel terecht alle pogingen om daar toegang toe te krijgen. Terug naar Alex van Leeuwen. Hij was heel begaan was met de wereld en zag in zijn leven veel armoede, ongelijkheid en onrecht, maar toch was hij mild in zijn oordeel over mensen. En niet omdat hij niet kwaad kon worden, want dat kon hij best, bijvoorbeeld op steekvliegen. Een keer ging hij met ons mee op vakantie, in Italie. Daar was een meertje en hij vond het heerlijk om te zwemmen, maar er zaten allemaal dazen. En als hij dan uit het water kwam sloeg hij woest met een handdoek om zich heen en tierde ‘God zal me liefhebben, God zal me liefhebben!’ Dat vonden wij als kinderen natuurlijk prachtig, want dat was in die tijd toch echt wel een vloek. Maar als het over mensen ging, was hij altijd open, geïnteresseerd en respectvol. Een van de weinige keren, heeft hij eens verteld, dat hij kwaad werd op mensen, was in een supermarkt. Hij was net terug uit India, liep in die supermarkt en zag hoe al die mensen al die producten bij elkaar graaiden en in hun karren stouwden. Hij was niet kwaad omdat hij de mensen die welvaart niet gunde. Hij was niet iemand van ascese of zelfopoffering: ‘Ik doe het zelf het liefst zo leuk mogelijk’. Maar wat hem trof, dat was de vanzelfsprekendheid en de zelfgenoegzaamheid waarmee mensen van al die welvaart gebruik maakten. Zonder dat ze dankbaar waren, zonder dat ze beseften hoe gezegend ze waren dat ze van deze overvloed mochten genieten. Daar lag denk ik de kern van zijn woede. KeerzijdeDe supermarkt heeft ook een aantal keerzijden en daar hoef ik u denk ik minder van te overtuigen. NatuurDaarmee zijn we van die supermarkt bij de natuur gekomen en wil ik het met u gaan hebben over de natuur. De vervreemding, of liever, die dubbelzinnigheid in onze omgang met dieren is kenmerkend voor de manier waarop wij, als burgers van de consumentenmaatschappij omgaan met natuur in het algemeen. Om dat toe te lichten ga ik opnieuw terug in de geschiedenis. Samen met de opkomst van de consumptiemaatschappij, zoals ik die heb geschetst, zien we ook waardering voor natuur tot bloei komen. Mensen gaan kamerplanten en huisdieren houden voor hun plezier, ze gaan tuinieren, en ze gaan wandelen en op vakantie in de natuur. Hand in hand met andere consumptiepatronen ontstaan deze vormen van omgang met natuur in het Engeland van de 18e eeuw. Vandaaruit verspreiden ze zich over Europa en over steeds meer lagen van de maatschappij. Net als bij andere consumptie spelen ideaalplaatjes, geïdealiseerde beelden waarbij we iets kunnen fantaseren, een belangrijke rol. In de Romantiek worden landschapsschilderijen enorm populair, en ook nu hebben we vele prachtige afbeeldingen, documentaires en films met romantische beelden landschappen, dieren en planten - ook in de reclame. Maar die beelden, en dat is hoopgevend om te zien, zijn niet genoeg. Mensen zijn niet tevreden met het beeld alleen, ze gaan daadwerkelijk die natuur opzoeken of in huis halen. Zo ontstaat een nieuwe of versterkte sensibiliteit voor natuur en landschap, een nieuwe waardering. Via die praktijken van genieten van en zorgen voor natuur zien we uiteindelijk dat ook natuurbescherming steeds meer steun krijgt en we zien natuurbeschermingsorganisaties ontstaan zoals Natuurmonumenten, die zich gaan toeleggen op het beschermen van speciale soorten en gebieden in Nederland en in andere landen. Die gegroeide waardering voor natuur past dus in de consumptiemaatschappij, want hij heeft te maken met geïdealiseerde beleving en hij ontwikkelt zich in een maatschappij waar mensen afstand nemen tot natuur. Een maatschappij waar mensen niet meer dagelijks afhankelijk zijn van natuur, waar ze in veilig, warm en droog huis wonen me een winkel naast de deur. Maar tegelijk - en dat is een van de fascinerende dingen in de geschiedenis van de natuurbescherming - grijpen die mensen toch weer op natuur terug, ze zijn niet helemaal tevreden zijn met hun leven in de stad. Op één of andere manier verlangen wij terug naar die natuur. Daarmee wordt ons verlangen naar natuur ook een kritiek op de consumptiemaatschappij, want mensen zoeken in die natuur kennelijk iets wat ze in de supermarkt niet vinden: rust, troost, iets wat kwetsbaar is en onze zorg verdient, een spiegel voor onze eigen identiteit - de Amerikaanse socioloog Michael Bell spreekt van "the natural me". Voor een heleboel mensen is het ook een plek van spiritualiteit en religieus bewustzijn. In de tijd van de Romantiek is dat prachtige verbeeld in de landschapsschilderijen van iemand als Caspar David Friedrich, een Duitse landschapsschilder. Hij schilderde prachtige landschappen met bergen, bossen, een regenboog, en vaak een eenzame wandelaar die dat geheel gadeslaat en erin opgaat. Er zijn dan ook verschillende auteurs die zeggen dat in de Westerse geschiedenis God vanuit de hemel in de natuur is gaan wonen. Anders gezegd, in het proces van secularisering is de natuur, met name de ongerepte natuur, de belichaming is geworden van ons idee van kosmos en ons verlangen naar een God. Die herontdekking van natuur lijkt mij ook een belangrijke bron voor de hernieuwde waardering van Franciscus in onze tijd. Franciscus was immers bij uitstek iemand die waardering voor natuur uitdroeg. Ik lees een stukje tekst voor van Alex, waarin hij dat verwoordt: "De boodschap van Franciscus in deze tijd is duidelijk; op het ogenblik komt dat sterker naar voren dan ooit. De kwestie voor hem was niet armoede als zodanig; waar het om ging was een diep bewustzijn van het scheppingsidee, inderdaad het wonder van het zijn, er te mogen zijn, geboren te zijn, deel te hebben aan het zijn. En daarom: de hele wereld is Gods schepping, wij mogen in deze wereld samenleven, samen met de dieren en de dingen." Franciscus omarmt mens en natuur – people and planet, zou je kunnen zeggen – en is daarin volstrekt actueel. De boodschap spreekt aan. Maar ik vraag me wel af, als ik dit lees: ben ik nu niet aan het romantiseren? Kunnen we deze visie die aanspreekt, die ontroert, nog wel echt gestalte geven, belichamen in een moderne samenleving die in alle opzichten ver verwijderd lijkt van de 13e eeuw waarin Franciscus dit verwoordde? In deze lezing wil ik dat onderzoeken door twee verschillen tussen toen en nu nader te bekijken. VerschillenEen belangrijk verschil met de tijd van Franciscus is de opkomst van de moderne wetenschap. Die geeft ons een beeld van de werkelijkheid en is ook in heel belangrijke mate de sleutel tot de innovaties die de consumptiemaatschappij mogelijk maakten. In het natuurbehoud leidt dat tot de vraag: moeten we de ideeën van schepping en verwondering niet vervangen door die van evolutie en ecosysteem? Is dat niet de belangrijkste visie die we nu moeten uitdragen als natuurbeschermers, dat wij een leefwijze hebben die de ecologische draagkracht van deze planeet overschrijdt, met desastreuze gevolgen voor de mensen zelf? Natuurbehoud is zelfbehoud, dat is wat mensen van nu overtuigt.Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Ik begin met een kort verhaal. Heel, heel lang geleden ontstond er in een hoekje van het heelal - door een wonderbaarlijk plan of een schitterend toeval - een kleine planeet. Niet te groot en niet te klein, met water en land, verwarmd door een ster en beschermd door een deken van lucht. Is dit verhaal religie of wetenschap? Aan de ene kant zijn er religieuze mensen die zeggen: het was een wonderbaarlijk plan! Aan de andere kant zijn er wetenschappers die zeggen: het was een schitterend toeval! Maar wat is het verschil? Plan of toeval, kunnen we dat met ons menselijk verstand omvatten en onderscheiden? Ik denk van niet. Het enige wat we kunnen zeggen, althans wat ik zou kunnen zeggen is dat wij, kennelijk, met wil en bewustzijn, deel mogen zijn van dat wonderbaarlijke en schitterende verhaal. Wetenschap en het wonder van het zijn, evolutietheorie en eerbied voor het leven zijn niet tegenstrijdig. Een probleem is er pas als wetenschap zegt: dit is het enige verhaal, of als de religie zegt: wij hebben als enige de waarheid. Ik denk dat de visie van Franciscus niets afdoet aan het verhaal van de evolutie en ecologie en er iets wezenlijks aan toevoegt.. Opnieuw een fragment van Alex:"Die gedachte brengt Franciscus heel duidelijk naar voren. De schepping, de mens in zijn relatie tot zijn medemens, tezamen in relatie tot de natuur. Deze totale werkelijkheid is heilig, is goddelijk. Met andere woorden: als ik een bloem zie, kan ik hem zien als koopwaar, dat kan verantwoord zijn, dat kan gewettigd zijn, maar als je niet verder gaat, dan blijf je steken. En heel veel mensen komen niet verder, zien ook niet hoe ze verder kúnnen. Tragisch. Als je nou verder gaat, dan zeg je: ja, het is een ding, maar het is meer, het heeft een eigen kleur, het heeft een eigen dynamiek, het is iets in zichzelf. Die bloem, dat landschap, de hele wereld, de hele kosmos. En je krijgt oog voor dat geweldige gebeuren met eerbied, met ontzag beter. Het mysterium fascinosum et tremendum. Het mysterie dat fascineert en doet trillen. In wereld van Franciscus was pijn, armoede en oorlog deel van de dagelijkse leefwereld. In onze tijd zijn die, dankzij economie en wetenschap, voor een belangrijk deel verdwenen uit onze dagelijkse leefwereld. Maar zeker niet uit de wijdere wereld. LerenIn een wereld waarin we weten, door reizen en media, dat die gevolgen er zijn, dat die armoede er is, moeten we verder gaan. En dat is een enorme uitdaging, want het betekent dat we onze eerbied en liefde voor de schepping moeten doortrekken naar de wijdere wereld. Dat kan alleen als natuurbeleving verbonden wordt met een bredere context: met onze eigen consumptiepraktijken, met problemen van sociale rechtvaardigheid, en met politieke keuzes. Dat gaat niet vanzelf. Zo komen we bij het volgende thema: leren. In de consumentenmaatschappij hangt uiteindelijk alles af van burgers die vrijwillig dingen doen, die beslissingen nemen over wat ze kopen en die beslissingen nemen over op wie zij stemmen. Dat te leren doen is cruciaal. En leren, weten we uit allerlei onderzoeken naar leerprocessen, gaat maar heel gedeeltelijk via woorden en overdracht van informatie. Voor een belangrijk deel gaat het via praktijken. Het gaat via wat mensen doen, de sociale processen waarin ze zijn opgenomen, dat is belangrijk. De uitdaging is dus om leren gestalte te geven in de praktijk. Ik wil dat toespitsen op kinderen en jongeren en starten vanuit natuur. Als we dan kijken naar leren zijn er drie stappen. De eerste stap is dat mensen leren natuur te beleven en ervan te genieten. Dat is in zekere zin de simpelste stap, wamt mensen en met name kinderen hebben een fantastisch talent om te genieten van natuur. Het is eigenlijk hetzelfde als met taal: we hebben een aanleg om taal te leren en het enige wat nodig is, is dat we met taal in aanraking komen om die taal te leren spreken. Als je kinderen in contact brengt met natuur gaan ze van die natuur genieten. Zeker als er rolmodellen bij zijn, ouders, opa’s en oma’s, wie dan ook, om met die kinderen de natuur te beleven en om te laten zien wat daar allemaal te zien is en hoe leuk het is om daar te zijn. Je ziet dat ook in onderzoek. Er is een programma – Het Bewaarde Land – waarin kinderen drie weken achter elkaar elke week één dag naar een natuurgebied gaan en daar op een speelse manier met natuur bezig zijn. Als je dan kijkt na afloop en je vergelijkt dat met hoe kinderen van tevoren over natuur dachten, dan zie je zelfs na die drie dagen al een duidelijke en positieve verandering in de manier waarop kinderen van natuur genieten. Maar hoe simpel het ook klinkt, het is niet zo eenvoudig te realiseren. Want groen verdwijnt uit de stad. Voor huizen, voor auto’s. Kinderen mogen niet spelen in de natuur omdat mensen bang zijn voor ongelukken, en ouders en kinderen zitten vaak thuis gekluisterd aan beeldschermen. Er is nog veel te doen, maar gelukkig zijn er ook veel mensen bezig met dergelijke vormen van leren. De tweede stap is dat het beleven en genieten van natuur ook wordt verbonden met zorg en verantwoordelijkheid. Ook dat is eigenlijk niet zo'n ingewikkelde zaak, want beleving en zorg zijn verbonden aan elkaar. In veel praktijken gaat genieten van natuur hand in hand met zorgen voor natuur. Denk aan huisdieren, aan tuinen, aan voederplankjes en nestkastjes. Je ziet het ook bij kinderen in natuur. In een ander natuurbelevingsprogramma, NatuurWijs, gaan kinderen naar terreinen van Staatsbosbeheer en daar mogen ze naast allerlei speelse vormen van natuurbeleving, ook allerlei werk uitvoeren: bijvoorbeeld bomen zagen, of een poel aanleggen voor kikkers en ringslangen, waarbij ze de boel vrijmaken en met takken schuilplaatsen maken voor ringslangen. Het blijkt dat de meeste kinderen ook dat aspect waarderen. Niet alleen omdat ze het leuk vinden om te sjouwen met die takken, maar ook omdat ze zo een bijdrage te leveren aan dat werk van die boswachter, om de natuur daar mooi te maken en het die ringslangen naar de zin te maken. Er zijn ook obstakels. Zo vind je bij natuurbeschermers ook wel het idee dat natuur waar mensen helemaal niets aan komen eigenlijk het beste is. Dat staat een beetje haaks op het idee van zorgen voor natuur. Als je beleving aan zorg en verantwoordelijkheid wilt koppelen, is het belangrijk dat je mensen ook de mogelijkheid moet geven om praktisch iets te doen voor die natuur. Niet alleen 'afblijf-natuur' dus. Een ander obstakel is de virtualisering van natuur, de reducering van natuur tot een filmbeeld of computerprogramma. Daarmee verdwijnt als het ware de ander uit onze blik op de werkelijkheid. Het beste voorbeeld daarvan zijn Tamagotchi’s: van die apparaatjes waarin een digitaal beestje, dat je moet eten geven en waarmee je kunt spelen, door knopjes in te drukken. Dat appelleert aan gevoelens van zorg en je ziet dat kinderen dat ook leuk vinden, maar op een gegeven ogenblik worden die Tamagotchi’s weggegooid. Dat is ook niet erg, want het is alleen maar een computerchipje. Met een dergelijke virtualisering van de wereld en verdwijnt dus de ander uit de belevingsrelatie en daarmee is er ook geen ander meer om aan te beantwoorden. En verantwoordelijkheid, ‘responsibility’, dat is het vermogen om antwoord te geven aan een vraag van een ander, iemand er is en iets wil van ons. De derde stap is de moeilijkste, ik heb daar al eerder naar verwezen. Dat is de stap om die beleving en zorg uit te strekken naar de wereld achter de schappen in de supermarkt, voorbij de natuur en de mensen van wie wij direct genieten en waar we direct voor kunnen zorgen, naar de verder liggende gevolgen van ons handelen voor andere natuur, andere mensen. En dat is moeilijk, want om te beginnen zijn er vrij abstracte redeneringen nodig om wat wij hier en nu doen te verbinden met de gevolgen daarvan elders en later. Dat geeft verwarring en wantrouwen. Dat zie je bijvoorbeeld in de manier waarop mensen reageren op Pakistan, je ziet mensen die behoefte hebben aan hulp, maar onmiddellijk komen er allerlei redeneringen van ‘ja, maar het komt daar toch niet terecht, het is een corrupt regime’ en dergelijke. Mensen zijn nogal eens sceptisch over al die verbanden, maar ze zijn er natuurlijk wel en we moeten leren ze te zien. Er is ook nog een andere reactie als we bij Pakistan blijven. ‘Ja, maar ze steunen misschien wel de Taliban en dat is onze vijand’. Dat wij-zij-denken zit heel diep verankerd, ik denk zelfs in onze evolutie als mensen. En het vereist dus een krachtsinspanning om daar bovenuit te stijgen. Wij kunnen dat wel maar het gaat niet gemakkelijk, lang niet zo gemakkelijk als wandelen in een bos en genieten van natuur. Je ziet dat mensen telkens weer geloven in leiders die zeggen dat problemen de schuld zijn van anderen, de politici in Den Haag, of de islam, of de kapitalisten. Wij geloven gemakkelijk in dat soort verhalen en daarmee verliezen we de bredere omarming die nodig is om die essentiële stap te maken van hier en nu om ons heen naar daar en straks in de wijdere wereld. Bij deze stap van leren, die al kan beginnen op de basisschool maar vooral gestalte krijgt in het voortgezet onderwijs, gaat het om het verbinden van milieu en ontwikkeling, van consumptie en ecologische voetafdruk. Ook hier zijn er goede voorbeelden van initiatieven, bijvoorbeeld waar scholen in Nederland samen met scholen in Zuid-Amerika of Afrika projecten doen en zo banden worden gelegd die afstanden kunnen overbruggen. OvervloedIk heb in deze lezing gepleit voor leren in praktijken. Maar het kan niet blijven bij de praktijk. De daad is belangrijk, maar we moeten het woord bij de daad voegen. Zeker als het gaat over het verhaal over milieu en ontwikkeling, het verhaal over mensen en natuur hier en nu, en daar en later. In de milieuvoorlichting is er al lange tijd debat over deze kwestie: moet je mensen met milieuverhalen lastig vallen, of moet je ze gewoon via handige prikkels - bijvoorbeeld door lagere prijzen voor groene producten - aanzetten tot milieuvriendelijk handelen? Ik ben het eens met degenen die zeggen dat je wel gericht moet zijn op praktisch handelen, maar dat het belangrijk is om daarbij ook het grotere milieuverhaal te vertellen. De uitdaging is daarom niet alleen om allerlei projecten te doen waarin kinderen, jongeren en volwassenen op praktische manieren in aanraking komen met zorg voor natuur en mensen. De uitdaging is ook om daarbij een goed verhaal te hebben.Dat grotere verhaal kan niet alleen gaan over ecosystemen en wereldeconomie, als zijn dat zonder meer belangrijke thema's. Het gaat ook en misschien wel vooral om de onderliggende inspiratie, om het aspect van zingeving. Maar wat voor verhaal kunnen we daarover vertellen? Ik heb daar zeker geen pasklaar antwoord op, maar wel een idee, dat ik graag met u wil delen. Eén van de bronnen van dat idee was een congres over duurzaamheid van Oikos. Oikos is een organisatie die zich op allerlei manieren bezighoudt met religie en duurzaamheid en zij hadden dit jaar een congres in Utrecht. Ik heb daar een verhaal verteld over groene consumptie. Aan het einde van de dag was ik eigenlijk wat teleurgesteld. Filosofen en beleidsmakers hadden verhalen verteld waarvan ik dacht: allemaal mooie overwegingen, maar wat gaan we nu eigenlijk doen? Toch bleek dat iets te vroeg geoordeeld, want één van die verhalen begon steeds meer te kriebelen. Dat was het verhaal van Karim Benammar, een filosoof, met de titel ‘Genieten van eindigheid en overvloed’. Veel milieuverhalen, vertelde Benammar, draaien om een dreiging van tekort. Onze hulpbronnen zijn beperkt, ze raken uitgeput, we moeten dus zuinig zijn en minder consumeren want anders hebben straks tekort. Daartegenover zetten hij het idee van genieten van overvloed: er is ontzettend veel, laten we daar dankbaar voor zijn en ervan genieten. Ik vond dat op dat moment een beetje flauwekul: dat moeten we nou net niet hebben, dat we mensen ook nog gaan stimuleren om te consumeren. Laten we alsjeblieft iets anders vertellen. Maar later ben ik daar anders over gaan denken. Het gaat Benammar niet om méér consumeren; consumptie is voor hem geen doel in zich. Het gaat hem erom wat voor groter verhaal je om die consumptie heen denkt. Je kunt, zoals we vaak doen in milieuverhalen, uitleggen hoe belangrijk natuur en milieu zijn voor onze economie, hoeveel het kost als natuur verloren gaat. Daar is op zich niets op tegen; dat verhaal klopt. We kunnen tegen mensen zeggen: als we nu niet stoppen dan zijn de schappen straks leeg. Dan hebben we minder. Misschien maakt dat indruk. Maar het is nog steeds een verhaal over kopen en hebben, over voorraden die we bij ons moeten houden. Het verhaal over overvloed is een ander verhaal. Dat zegt: mensen, er is zo veel, laten we daarvan genieten en laten we anderen laten delen in onze overvloed, zodat we samen nog rijker zijn. Uitdelen om rijker te worden, dat is een oude Christelijke inspiratie. In Zutphen, in de Walburgiskerk, heb je achterin een plank waar vroeger - dat gaat terug tot de zeventiende eeuw - brood werd verdeeld onder de armen. Op die plank staat: ‘Wat ik heb gegeven, is mij gebleven en wat ik heb gehouden, dat ben ik kwijtgeraakt’. Past het idee van vrijgevig uitdelen aan anderen in een verhaal over duurzaamheid?
In elk geval zie ik een link met een begrip dat Alex, als tolk van Franciscus, naar voren brengt: reddere, teruggeven. Voor Alex was het een kernbegrip. Reddere betekent, als ik dat goed interpreteer, dat we beseffen dat alles wat wij hier hebben, dat die overvloed waar wij van genieten, niet ons eigen bezit is of een voorraad waar we recht op hebben - zo van, we hebben daar hard voor gewerkt en dus hebben we het verdiend. Nee, we hebben het gekregen. Het is een zegen en een geschenk dat we mogen doorgeven en teruggeven. Aan anderen. Aan mens en natuur. Aan God. Dat idee kan - mogelijk - een bouwsteen zijn voor een ethiek van de overvloed die - wellicht - ook een rol zou kunnen spelen in ons denken over natuur- en milieubehoud. Dan hebben we het dus eigenlijk niet meer over natuurbehoud, iets houden, maar meer over het vieren en doorgeven van natuur en van alles wat wij met natuur kunnen maken en doen. Met dit idee over het grote verhaal van natuur en mens eindig ik de lezing en kijk ik uit naar onze discussie. Kris van Koppen NotenVoor wie dat wil, is er literatuur beschikbaar waarin onderdelen van deze lezing verder worden uitgewerkt. Alle genoemde publicaties zijn beschikbaar als pdf-bestand. U kunt daartoe contact met mij opnemen via e-mail: kris.vankoppen@wur.nl. De citaten en veel meer inspirerende gedachten over Franciscus, Christendom, onwikkelingsamenwerking en Hindoeisme zijn te vinden in het boekje met teksten van Alex van Leeuwen: "Het wonder van er zijn" (pdf 287 Kb). Het boekje is ook op te vragen bij Kris van Koppen. Het verhaal over de ontwikkeling van het Westerse denken over natuur is uitgewerkt in mijn proefschrift: "Echte natuur. Een sociaaltheoretisch onderzoek naar natuurwaardering en natuurbescherming in de moderne samenleving". Vrij toegankelijk pdf-bestand. Consumptie en leren in relatie tot natuur zijn het thema van mijn inaugurele rede in Utrecht: "Zorg voor natuur in de eeuw van de consument". Karim Benammar werkte zijn ideeën onder meer uit in boek 'Overvloed'. (Veen Magazines, 2005). De engelstalige versie van dit boek, 'Abundance', is vrij beschikbaar als pdf bestand. >> Terug naar Stoutenburglezingen December 2010 |




