|
Home > Publicaties
> Achterhuis 1998
Franciscaanse waarden en de hedendaagse cultuurVoorwoordWaarom een eerste Stoutenburg-lezing en dus wellicht ook een tweede, een
derde...? Zo lezingenachtig is men toch niet op Stoutenburg, zullen mensen die
er regelmatig komen, denken. Bekend is Stoutenburg als "oefenplaats"
en als plaats om de verbondenheid met de natuur te ervaren. Toen het Franciscaans Milieuproject op Stoutenburg in 1996 vijf jaar bestond
is onder allerlei mensen die een uiteenlopende betrokkenheid met en bij Stoutenburg
hadden een enquête gehouden. Deze diende om de doelstelling van het project
te toetsen en tevens om bouwstenen voor de toekomst aan te dragen. Bestuur en communiteit ontwikkelen sindsdien plannen om met name de inhoudelijke verdieping van het franciscaans milieuproject duidelijker aan bod te laten komen. Dit heeft o.a. geresulteerd in een studiedag over de relatie van Stoutenburg met de natuur- en milieubeweging onder de titel: "Grijze cellen, groene vingers" en een weekend rond "Bomen" benaderd vanuit theologische en filosofisch/ecologische hoek. Ook de voorjaar 1998 verschenen brochure over Stoutenburg "Liefde voor zuster aarde", past hierin. Naast reflectie bestond er ook behoefte aan conceptontwikkeling. Mensen
beginnen aan iets vanuit hun eigen kennis en ervaringen, inzichten, geloof en
idealen. Zo is men ook op Stoutenburg begonnen met het Franciscaans Milieuproject
in 1991. Al doende deed men ervaring op en ontwikkelden zich nieuwe inzichten.
Het is goed om daar van tijd tot tijd bij stil te staan; te vergelijken, theoretische
beschouwingen te horen of te lezen, om te zien waar jezelf staat in het proces
en om nieuwe concepten te ontwikkelen op basis waarvan je lijnen voor de toekomst
uit kunt zetten. Anne van den Berg, De lezing
We don't know Utopia". Met deze, bits uitgesproken woorden werd het gesprek
abrupt afgebroken. De jonge man draaide ons zijn rug toe en ging door met zijn
werk. Ik diep deze persoonlijke herinnering mede op omdat iemand uit de kring van het Franciscaanse Milieuproject Stoutenburg mij bij een lezing over utopieën onlangs een vraag in deze richting stelde. Naar mijn mening is, evenmin als de Amish dat zijn, Stoutenburg een utopische gemeenschap. Sterker nog, ik denk dat het er goed aan doet zich te verzetten tegen utopische tendensen en idealen die buitenstaanders er vaak op plakken. Guy Dilweg, één van de initiatiefnemers van het project stelt: "Misschien is dat wel één van de grootste handicaps; het feit dat iedereen zijn idealen op je projecteert. Dan worden er allerlei dingen van je verwacht: omdat je dit project verwezenlijkt moet je je ook aansluiten bij die andere beweging, de volgende actie of demonstratie. Zulke mensen dromen hun Stoutenburgse droom. Maar wij zijn concrete mensen. Ik vind dat wij een stuk van een ideaal realiseren, maar dat hoeft niet de droom van anderen te zijn". Die droom van anderen waar Dilweg over spreekt, krijgt voor mij typisch utopische trekken. Utopieën zijn meestal ook dromen vóór anderen, waarin geponeerd wordt hoe die anderen zich moeten gedragen om goed en gelukkig te leven. Stoutenburg wil mijns inziens terecht zich niet laten vangen in zo'n utopische droom, er geen onderdeel van uitmaken. De thematiek voor mijn lezing is hiermee gegeven. Ik wil Franciscaanse en utopische waarden met elkaar vergelijken en tegen elkaar afzetten. Eén waarschuwing vooraf. In beide gevallen zal het hier in de zin van Max Weber om ideaaltypen gaan, die nooit helemaal als zodanig in de werkelijkheid worden aangetroffen. Weber muntte dit begrip om er de altijd weerbarstige en ambivalente werkelijkheid mee te kunnen ordenen. De grenzen tussen Franciscaanse en utopische waarden zijn daarom in de praktijk ongetwijfeld vaak vloeiender dan ik in het vervolg suggereer. Zo staat onderlinge solidariteit in beide waardeschalen in hoog aanzien. Toch is de inkleuring van deze solidariteit, juist vanuit het ideaaltypische onderscheid, ook in de werkelijkheid vaak heel verschillend in religieuze -bijvoorbeeld de Amish of de Franciscaanse- gemeenschappen en in utopische communes. Twee tijdgenotenAls Helene Nolthenius -neen, niet in het veelgeroemde 'Een man uit het dal van Spoleto', maar in het mij als gymnasiast al dierbare 'Duecento', een portret van Franciscus gaat schetsen, begint ze met het beeld op te roepen van een landgenoot en (vroege) tijdgenoot van hem: abt Joachim van Fiore uit Calabrië. Zij vergelijkt een aantal verhalen uit diens jeugd met de vertellingen over Franciscus die als Fioretti, bloempjes, later bijeen zijn gehaald. Zijn abrupte bekering bij de aanblik van het pest-geteisterde Byzantium, herinnert aan de heilige ontzetting van Franciscus wanneer die een melaatse ontmoet. En net als Franciscus zijn kostbare gewaden uittrekt en zijn vader voor de voeten gooit, ontdoet Joachim zich in zijn jeugd van het zijden pagekleed dat hij draagt. Zijn biografie vermeldt zelfs hoe hij eens met somber weer preekte en plotseling toen de zon doorbrak met alle gelovigen naar buiten ging, de zon begroette en plechtig het Veni Creator aanhief. "Zulke verhalen lijken", stelt Nolthenius, "wel op knoppen, waaruit later de Franciscaanse Fioretti zullen ontluiken". Maar, zo vervolgt ze: "Vergis u niet In werkelijkheid is Joachim als hij naar buiten loopt om de zon te groeten, volstrekt niet vervuld van de poëtische ontroering die Franciscus later tot zijn Zonnelied drijft. Voor Joachim is de zon louter een eerbiedwaardig symbool dat op ontsluiering wacht. Al de geschapen dingen, waarvoor een Franciscus de Heer zo spontaan bedankt, zijn vraagtekens voor Joachim. Wat beduiden ze? Wat voorspellen ze? Zijn leven lang doet hij niets anders dan abstraheren". Even scherp als ik het hierboven deed, stelt Hélène Nolthenius
hier twee waardenoriëntaties tegenover elkaar. In elk boek over utopieën
en utopische bewegingen figureert Joachim van Fiore als één van
de belangrijkste wegbereiders hiervoor. Mede gebaseerd op zijn uitleg van de
Apocalyps van Johannes predikte hij de nabije komst van het duizendjarig rijk.
De geschiedenis bestond volgens hem uit drie tijdperken: dat van de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest. Dit laatste, dat zich in het monnikwezen al aankondigde,
zou definitief in 1260 aanbreken. Het zou een volmaakte wereld zijn, de orde
van de rechtvaardigen. Met Joachim beginnen het soort speculaties waar wij vandaag
met het zicht op het jaar 2000 nog steeds van kunnen genieten. Een klein voorbeeld:
het bijbelse verhaal van Judith die haar echtgenoot drie jaar en zes maanden
overleefde, verwijst naar de kerk die het even lang zonder Christus moet stellen.
"Wie voelt niet aan dat dit samen 1260 dagen zijn, en dat men die dagen
als jaren moet tellen". Belangrijker dan dit soort uitleg, is het schema
waarin Joachim de geschiedenis perst. Het jaar 1260 zal dus de grote ommekeer
brengen. Maar het zal vooraf worden gegaan door de meest verschrikkelijke verschijnselen
die de Antichrist verbreiden zal. Het duizendjarig rijk zal zich aankondigen
door ondergang en verderf. Als ik het heel scherp op één noemer breng dan staat voor Joachim
het belangrijkste waar het om draait in wereld- en heilsgeschiedenis nog in
de toekomst te gebeuren, terwijl het voor Franciscus al gebeurd is. Het ligt
eerder achter dan voor hem. Jezus die met de armen verkeerde, is het grote voorbeeld
dat hij wil navolgen. Vanuit dit voorbeeld is hij tevreden met één
pij, aan alle kanten versteld, een koord en een broek. In het jaar 1260 zal
heel Italië geteisterd worden door grote groepen flagellanten die ook arm
en halfnaakt rondtrekken. Maar bij hen gaat het om een poging toegang te verkrijgen
tot het duizendjarig rijk dat zij aanstaande achten. Zij worden aangetrokken
door de magneet van de toekomst waar zij in geloven, Franciscus wordt voortgestuwd
door de inspiratie van de Heer, die het hem heeft voorgeleefd. In het eerste
geval wordt de concrete inzet in het heden in naam van de toekomst gedevalueerd,
in het tweede is er altijd genoeg direct in het heden met hoofd en hand in dankbaarheid
te ondernemen. Het vertoog van de utopie.Utopieën en utopische verhalen draaien niet alleen rond toekomstverwachtingen
en daaraan gekoppelde apocalyptische ondergangsprofetieën. In 'De erfenis
van de utopie' constateer ik dat er zoiets als een utopisch vertoog bestaat.
Dit laatste begrip ontleen ik aan de Franse filosoof Michel Foucault. Deze wees
erop dat er in al ons spreken en denken al veel voorgestructureerd is. In geen
enkele thematiek kan iets totaal origineels worden bedacht, we bouwen steeds
voort op, maken deel uit van het vertoog dat vóór ons al lang
bestaat. Voor het denken over utopieën geldt dit ook. Binnen het grote
utopische vertoog dat minstens grotendeels sinds More's 'Utopia' bestaat, roept
de ene wending als het ware automatisch de andere op. Wie enkele stappen in
het land Utopia zet, wordt vaak onweerstaanbaar tot de volgende gebracht. Er
zit een min of meer dwingende logica in, we krijgen als het ware een bril opgedrukt
die ons de hele werkelijkheid op een utopische wijze laat zien. Het beeld van Benjamin is gebaseerd op een schilderij van Paul Klee. We zien
er de engel der geschiedenis die zijn gelaat vol afgrijzen naar het verleden
heeft gewend. Waar wij bijna allemaal -utopische denkers als wij zijn- een rij
gebeurtenissen zien die ergens in toekomst toe zal leiden, ziet de engel alleen
maar puinhopen en rampen. Hij wil bij de puinhopen knielen, de doden tot leven
wekken, wat verscheurd is helen. Dat lukt hem echter niet, want uit de oorsprong,
het paradijs waait een storm in zijn vleugels die hem achterwaarts de toekomst
in blaast. Tijdens dit proces blijven de puinhopen voor zijn verstarde ogen
zich opstapelen. Die storm, zo luidt de pointe van Benjamins beeld, is wat wij
de vooruitgang noemen.
Als ik nu even inga op de manier waarop Benjamins voorzichtige pogingen om
uit een geijkt geschiedenisschema te breken, opgevat werden door zijn twee collega-filosofen
van de Franktfurter Schule, Adorno en Horkheimer, zien we de macht en vanzelfsprekendheid
van het utopische denken dat bij beiden vooral marxistisch getint is. Zij verwijten
Benjamins bijvoorbeeld dat hij in zijn beschrijvingen van het heden in "louter
feitelijkheid" blijft steken. Hij zou zijn observaties in het grote historische
perspectief moeten plaatsen, door te laten zien dat het steeds doorgangsfasen
zijn die in een toekomstige verzoende werkelijkheid overwonnen kunnen worden.
Dit is zeker geen platte vooruitgangsgedachte, maar zij blijft gebaseerd op
de idee dat het huidige slechte systeem in de toekomst door een totaal ander
systeem vervangen kan worden. Met al zijn beelden, metaforen en dichterlijke
taal probeert Benjamin zich aan dit schema te ontworstelen om recht te kunnen
doen aan zowel de geschiedenis als het heden. Franciscaanse inspiratieGenoeg wijsbegeerte. Het wordt tijd om, na deze omweg die, naar ik hoop een
aantal wijdere filosofische aspecten van mijn vraagstelling laat zien, terug
te keren naar de concrete realiteit van de aardse spiritualiteit van Stoutenburg.
'Sympathiek hoor, maar het blijft natuurlijk gewoon reformistisch', zei een
bekende aan wie ik zowel over Stoutenburg als over de inhoud van mijn rede vertelde.
Reformisme was voor haar weliswaar geen scheldwoord meer, zoals dat voor generaties
revolutionaire socialisten en christenen het geval was, maar het bleef duidelijk
een negatieve kwalificatie. Ik wil deze verwerpen. Alleen als je de huidige
samenleving als een -al dan niet kapitalistisch of technocratisch- systeem ziet
dat eens plaats zal moeten maken voor wat de Franse marxistische filosoof Roger
Garaudy in een recent verleden 'Het Alternatief' noemde, een totaal ander en
beter systeem dus, heeft het oordeel 'reformisme' zin. Wie weigert op deze wijze
te denken, zal ook dit begrip niet meer kunnen gebruiken. Buiten het utopisch
vertoog verliest het alle betekenis. Het wordt dan even betekenisloos om te
zeggen dat Stoutenburg zich niet tegen het kapitalisme keert als het zou zijn
om Franciscus te verwijten dat hij het feodalisme met zijn hiërarchische
verhoudingen niet in zijn geheel aan de kaak stelde in naam van een betere toekomstige
werkelijkheid. Deze benaming 'compensatie' lijkt mij eveneens onjuist. Zij is te min, ze doet
geen recht aan de eigen aard van bepaalde activiteiten en waarden, ze geeft
andere waarden te veel eer door impliciet aan te geven dat deze dominant zijn
voor mensen. Op de achtergrond speelt hier nog steeds de notie dat alleen die
inzet waardevol is die een totale verandering voorbereidt of belooft. Dat is
in elk geval Mumfords positie die tussen het alles van de totaal veranderde
toekomst en het niets van het slechte heden heen en weer zwalkt. Nogmaals, uit
het verstikkende pessimisme en doemdenken waar dit Mumford uiteindelijk toe
brengt, kun je alleen wegbreken als je een andere conceptuele bril opzet, het
denkschema verlaat waarin je gevangen bent. The kiss of the sun for pardon. De dingen waar het op aan komt, zijn in het leven uiteindelijk een geschenk
waarvoor je je open moet stellen. Dat kun je echter alleen leren in de praktijk
en Stoutenburg biedt kennelijk zo'n leerschool. Voorzitster Anne van den Berg
zegt het zelfs over het hele project: "het project heeft een uitdragende
werking, maar dat heb je niet in de hand. Als het daar op Stoutenburg zal ophouden,
zal het elders wel weer verder gaan". Moet deze versnelling dan toch niet definitief gestopt worden, moeten we in naam van de waarden die wij uitdragen er geen absoluut halt aan proberen toe te roepen? Ik heb twee redenen om dit af te wijzen, een pragmatische en een principiële. Ik ontleen de eerste aan mijn betrokkenheid bij het denken over technologische ontwikkelingen. Het is in het recente verleden vaak onmogelijk gebleken bepaalde ontwikkelingen te stoppen. Kennelijk zat er niet alleen veel macht achter, maar oefenden ze ook sterke aantrekkingskracht op veel mensen uit. Wat wij hiervan geleerd hebben is dat het niet alleen gemakkelijker maar ook constructiever is om hiernaast ruimte voor alternatieve technologische ontwikkelingen op te eisen. Natuurlijk oogt het fraai als je bijvoorbeeld de hele bio-industrie of gentechnologie wilt afschaffen en tegenhouden. Beter en haalbaarder lijkt het om ook op politieke wijze voldoende ruimte voor de ecologische landbouw te bevechten. De analogie zal hoop ik duidelijk zijn. Ruimtes als Stoutenburg hebben we nodig, niet zozeer als Het Alternatief voor een foutief geachte maatschappelijke ontwikkeling als wel als een van de vele alternatieven die wij open en levend moeten houden. Eigenlijk heb ik met deze laatste woorden al laten zien waarom ik ook principieel af zou willen zien van het opleggen van zoiets als Franciscaanse waarden aan de rest van de maatschappij. Wie dat probeert, komt al snel terecht in de logica van de utopie waarbij de waarden waar het om begon, onherroepelijk verloren gaan. Deze kunnen inderdaad alleen maar beleefd en voorgeleefd worden. Franciscus heeft het feodalisme niet afgeschaft en het kapitalisme niet tegengehouden. Hij heeft onze westerse cultuur wel verrijkt met een grondhouding en een spiritualiteit waar we niet meer zonder kunnen. Door even opzij te stappen uit de razende wind van de vooruitgang slaagt Stoutenburg erin waardevolle aspecten van deze grondhouding en spiritualiteit uit het verleden te redden en voor ons heden in te zetten. Stoutenburg,
9 oktober 1998 BIBLIOGRAFIE Hans Achterhuis, De erfenis van de utopie, Ambo Baarn, 1998. DiscussieHet raadsel van het kwaadVraag: Wat is de rol van het kwaad, nu wij weten dat in de reëel bestaande utopieën onmetelijke gewelddadigheden hebben plaatsgevonden? We kunnen hierbij denken aan de 'killing fields' in Cambodja ten tijde van Pol Pot waar een derde van de bevolking uitgeroeid werd, de naar schatting veertig miljoen doden in China ten tijde van de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1962), en de terreur van Stalin. Achterhuis: Utopieën ontkennen het bestaan van het kwaad. De mens is in wezen goed. Toen de eerste utopieën geschreven werden kwamen de auteurs in conflict met de kerk, omdat zij de erfzonde afschaften. Zij gingen ervan uit dat als de maatschappij goed ingericht is en bestuurd wordt, de mensen automatisch goed zijn. Deze ideologie heeft er in de praktijk vaak toe geleid dat het kwade welig kon tieren en tot de afschuwelijke gewelddadigheden in Cambodja, China en Rusland heeft geleid. De ideologieën die aan die maatschappijen ten grondslag lagen, ontkenden het oerfeit van de moraal, waardoor het kwade vrij spel kreeg. Dit oerfeit is wat de joodse filosoof Levinas het Gelaat van de Ander noemt, oftewel de ontmoeting met de behoeftige mens die om mijn steun vraagt. Hij of zij doet een beroep op mij. Dit blijft echter niet beperkt tot een duet, want in het Gelaat van de Ander zijn alle anderen weerspiegeld die behoeftig zijn. Met het helpen van de Ander moet ik dus ook gaan nadenken over de maatschappij en hoe ik deze zo goed en rechtvaardig mogelijk kan inrichten. In een utopie waar de concrete anderen abstracte mensen geworden zijn, slaat het absolute goede om in het absolute kwaad. Dit is wat Levinas het raadsel van het kwaad noemt. Nu is geen enkele maatschappelijke orde volstrekt moreel zuiver, omdat instituties
concrete anderen altijd zullen en moeten abstraheren, anders is alle beleid
onmogelijk. Het fundament van een maatschappij moet echter de concrete ontmoeting
van het ik met de Ander zijn. Er blijven altijd mensen en groeperingen nodig,
zoals de Franciscanen, die opkomen voor de behoeftige Ander. Altijd zal er verzet
nodig zijn, omdat de mogelijkheid van het kwaad altijd zal blijven bestaan. Stoutenburg en de moderne maatschappijVraag: De moderne maatschappij is gebaseerd op het vooruitgangsgeloof. De
westerse mens raast maar voort. Snelheid, flexibiliteit en 24-uurs economie,
zijn zoal de toverwoorden van deze tijd. U beschreef het schilderij van Klee
met de engel uit het voorbeeld van Walter Benjamin. Op dit schilderij wordt
de engel meegesleurd de toekomst in. In uw lezing wordt de mogelijkheid geschetst
om in de luwte te gaan staan: even uit de storm naar de toekomst stappen. Achterhuis: In de westerse maatschappij is er een breuk met de traditie opgetreden. Deze ligt niet meer kant en klaar voor ons gereed. De vanzelfsprekendheid waarmee de Franciscanen op Stoutenburg in de vijftiger jaren nog terug konden grijpen naar hun traditie, bestaat niet meer. Als reactie hierop verwachten velen al het heil van de toekomst, het zogenaamde vooruitgangsgeloof. Dit leidt volgens Walter Benjamin tot de verwoestingen en rampen die op het schilderij van Klee met de engel te zien zijn. Benjamin leefde in de dertiger jaren tijdens de opkomst van het nazisme. Nu in 1998 behoeft dit beeld enige nuancering. De storm op het schilderij is niet enkel negatief. De vooruitgang heeft ook zijn positieve kanten. Veel mensen vinden dat de hedendaagse levensstijl ook zijn prettige kanten heeft en willen heus wel voor een tijdje opzij stappen, maar al spoedig willen ze toch wel weer terugkeren naar de snelle maatschappij. Er zitten ook aantrekkelijke aspecten aan deze snelheid. Er is een tijd voor versnelling en er is een tijd voor vertraging. Versnelling en vertraging moeten naast elkaar kunnen blijven bestaan. Vraag: Hoe kan ik de sfeer van Stoutenburg toepassen in mijn dagelijks leven? Als ik thuis kom is er een grote discrepantie tussen de sfeer van thuis en Stoutenburg. Stoutenburg is een soort wereld apart. Achterhuis: Sommige mensen zullen discrepantie ervaren. Anderen zullen de inspiratie van Stoutenburg in hun werk gebruiken. Weer anderen willen misschien helemaal niet bezig zijn als milieuactivist. Dit zal van mens tot mens verschillen. Ikzelf kan niet anders dan de inspiratie die ik op dit soort plekken opdoe, gebruiken in mijn werk. Maar er is natuurlijk een groot gat. Iemand zei eens tegen mij: "Je kunt op Stoutenburg werken, maar de CO2 -uitstoot gaat gewoon door." De een kan wél met deze zaken tegelijk bezig zijn, terwijl een ander zal zeggen dat hij concreet met de aarde bezig is en geen zin of tijd heeft om zich bezig te houden met grote problemen als klimaatveranderingen. Vraag: Maar hoe kunnen Stoutenburg en de maatschappij elkaar beïnvloeden? Achterhuis: Dit kan niet bewust. Er is geen strategie voor. Wel kan Stoutenburg een grote uitstraling naar de rest van de maatschappij hebben. Het franciscaans milieuproject is een voorbeeld van hoe de zorg voor natuur en milieu geleefd en gevierd kan worden. Dat werkt door in de maatschappij. Dit staat naast de ontwikkelingen in de maatschappij die gewoon doorgaan. Stoutenburg moet niet de hele maatschappij willen onthaasten, want dat is onmogelijk. Vraag: Hoe zou Stoutenburg de maatschappelijke relevantie van het project kunnen verduidelijken? Achterhuis: We moeten niet te snel iets willen bereiken. Het is gevaarlijk om te zeer gericht te zijn op het verwezenlijken van onze idealen, omdat we dan gefrustreerd en teleurgesteld kunnen raken. Er is genoeg te doen. Maar we moeten niet de wereld willen verbeteren en hopen dat het dan morgen al bereikt is. Vraag: Kan Stoutenburg zich niet bezig houden met het inspireren van managers in het bedrijfsleven, bijvoorbeeld door het geven van workshops? Achterhuis: Er zit veel kaf onder het koren; er is veel modieus gedoe. Maar er zijn ook integere voorbeelden zoals de manager van Van Melle (snoepwaren) die in zijn bedrijf bezig is om zijn producten met zo min mogelijk negatieve effecten voor het milieu te produceren. Maar als je je op het bedrijfsleven gaat richten, gaat Stoutenburg veranderen. Het zal van invloed zijn op de organisatie hier. Ik denk alleen al dat er faciliteiten beschikbaar moeten zijn zoals fax en e-mail. Tevens zijn er al organisaties en mensen zoals de bekende milieuautoriteit Wouter van Dieren die zich met succes op het bedrijfsleven richten. Iedere organisatie heeft zijn eigen specialiteiten. Vraag: Waarom zou Stoutenburg groter willen groeien? Je moet je als Stoutenburg richten op waar je goed in bent. Als het project te snel te groot wordt loop je het risico dat de eigenheid van het project verloren raakt. Wel is het belangrijk om met andere organisaties samen te werken, te netwerken. Achterhuis: Het is belangrijk dat je geen dingen tegen je zin in gaat doen. Als jij geen zin hebt om in de tuin te gaan werken en je gaat dit toch doen, omdat je denkt dat dat belangrijk is voor het milieu, dan loopt het zeker mis. Ga de dingen doen die je leuk vindt. Mogelijkheden om de traditie te reconstrueren voor de huidige moderne maatschappijVraag: Wat voor rol speelt de traditie in India? Daar is op sommige plekken de maatschappij nog niet gebouwd op het vooruitgangsgeloof. Daar leeft men nog op een vanzelfsprekende wijze. Achterhuis: De joods-christelijke traditie is meer aards gericht dan de hindoeïstische en boeddhistische religie. Zij is meer gericht op verbeteringen en op het stellen van doelen, en staat meer open voor de toekomst. Liever bestudeer ik de westerse traditie. Ik ben nu eenmaal gevormd door dit denken. De westerse cultuur moet haar inspiratie vinden in het eigen verleden. De verhalen liggen echter niet meer kant en klaar voor het oprapen. Tevens kijken wij met de bril van het heden naar de geschiedenis. Op deze wijze selecteren wij datgene wat we in het heden kunnen toepassen. Als voorbeeld denk ik hierbij aan Franciscus waar Stoutenburg door geïnspireerd wordt en die tevens voor veel andere mensen in de milieubeweging een beschermheilige is. In zijn proefschrift stelt de theoloog Boersema dat de ecologen Franciscus onterecht als hun heilige gekozen hebben. Zijn omgang met dieren vinden we ook bij andere heiligen uit die tijd. Ik vind dit echter in tegenstelling tot Boersema niet erg. We zoeken altijd naar verhalen uit het verleden die ons nu aanspreken. Franciscus is uit die traditie de beste inspiratiebron voor de milieubewuste mens. Opmerking uit de zaal: Franciscus ging op diep religieuze wijze met de natuur om. Zijn levenswijze en religiositeit kunnen wij niet benaderen, maar door zijn levenswijze inspireert hij ons tot navolging. Vanuit onze religieuze behoefte om met de natuur om te gaan, kijken we naar het verleden. Achterhuis: Volgens de Nederlandse filosoof Kunneman moeten we zelf uit het
niets onze waarden voor de toekomst construeren. Ik vind echter dat er al zeer
veel in het verleden bedacht is waar wij ons door kunnen laten inspireren. Vraag: Wat kunnen we nog met de verhalen uit de traditie van het Koninkrijk der Hemelen. Het jodendom en het christendom hebben misschien ook een utopische instelling? Achterhuis: Er is een groot verschil tussen het Rijk Gods en een utopie. Het Rijk der Hemelen kan niet door mensen gemaakt worden. We kunnen het niet naar ons toe halen. Het is een belofte van God. We kunnen hierbij ook denken aan de uitspraak van Walter Benjamin die zegt dat het jodendom leeft vanuit de verwachting dat de Messias elk moment kan komen. In deze zin is het Koninkrijk der Hemelen al onder ons. Als we een antwoord geven op het beroep dat de ander op ons doet (het Gelaat van de Ander zoals Levinas dit omschrijft, de concrete ontmoeting tussen de ander en mijzelf) dan bewerkstelligen we iets van dit Koninkrijk. In deze zin is het Rijk Gods al onder ons. In de eschatologische betekenis echter moet God het nog aan ons geven en is het dus iets dat in de toekomst ligt. ArmoedeVraag: Hoe zou Stoutenburg met het armoedeprobleem om moeten gaan? Achterhuis: Armoede en rijkdom hebben altijd te maken met machtsstructuren. Dat is echter heel wat anders dan de keuze voor armoede. Misschien kan men een bepaalde spiritualiteit alleen maar beleven vanuit armoede, vanuit onthechting. Opmerking uit de zaal: Als je geen bezit hebt heb je niets waar je je achter verbergen kunt. Je hebt niets dat je van jezelf kan noemen. Het is allemaal gekregen. Franciscus zegt dat als je je iets toeeigent, dat diefstal is. Dan steel je van de Allerhoogste. Zo'n intuïtie kan heel bevrijdend werken. Maar alleen als het een keuze is. Niet als je door het lot of de maatschappelijke structuren arm wordt. Achterhuis: Er wordt vaak te gemakkelijk gepraat over armoede elders vanuit de eigen rijkdom. In de trant van "we moeten er toch iets aan doen"......zonder dat er iets aan gedaan wordt! Het blijft vaak een goedkoop praten over. Ga dan maar concreet iets doen!
Guy Dilweg; maart 2002 |


